Snelwegen
Tussen de buien door is de avondschemer plots uitzonderlijk mooi. De warmoranje kleuren doen weemoedig aan en beloven dat het vroeger beter was. We zitten samen in de auto die uitzonderlijk aanvoelt als een kooi van Faraday. Er is geen onrust in de wolken, geen dreiging van een losbarstend onweer aan de horizon, maar toch voelen we ons veilig en geborgen voor naderend onheil. Op deze rijdende doos heeft de chaos van het leven geen vat. Ik voel me voor het eerst sinds lang weer rustig. Er is kalmte in mijn hoofd. Ik zit weer in de auto naast mijn vader. Buiten is het donker. Het is die tijd waarin snelwegen nog leeg konden zijn als de avond was gevallen. Mijn vaders grote, bekwame handen aan het stuur, de weg voor me lang, recht en duidelijk. Op deze avonden overviel me de wens dat het rijden niet zou stoppen. Dat we zo door zouden reizen, op verlaten donkere snelwegen. Recht naar Parijs of een ander paradijs, maar liefst nog recht naar huis. Naar mijn thuis, alleen mocht de tijd blijven stilstaan en mocht dit veilige rijden voor altijd blijven duren. Het idee dat er ergens een thuis op me wacht en dat dat onze bestemming is, is utopisch mooier dan het thuis zijn zelf.
Nu zit ik aan het stuur en mijn handen zijn lang niet zo sterk en veilig als die van mijn vader. Hoe doe je dat eigenlijk, aan het stuur zitten? Mijn zoon is rustig. Nog tien minuten en we zijn thuis. Nog tien minuten en we moeten onafwendbaar de deur open trekken en de onrust ons laten overvallen. Nog twee dagen en er wordt ons misschien gezegd hoe het ongeluk zich in dat gouden kinderhartje van mijn kind heeft kunnen nestelen. Ik weet niet meer of ik al die dingen wel wil weten. Misschien moet ik terugrijden naar het begin.
Ik twijfel plots. Als ik hier nu zou afslaan, snelwegen op rijden. Mijn kind meenemen naar het einde van het land om in golven te gaan staren tot de steeds terugkomende zee ons belooft dat ook het geluk voor ons weer zal weerkeren. Ik weet niet meer wat me hier houdt, vergeet voor één tel de rest van mijn gezin, denk alleen maar aan de zee, aan stoppen, aan na elf lange jaren van de denderende trein te springen en veiligheid te zoeken op die lange, donkere snelwegen uit mijn jeugd. Maar de snelwegen van nu zijn nooit meer leeg, nu we met zijn allen proberen te vluchten voor het hier om het ginder niet anders te weten. Bovendien is mijn hart hier, bij al mijn kinderen en mijn beste vriend. Het is onvermijdelijk, ik zal mijn oudste zoon moeten meenemen naar het leven waarin hij lijkt vast te zitten in zwarte chaos. Ik beloof hem dat de zee weer terugkeert en hoewel ze steeds weer weggaat voor altijd op ons zal wachten. En dan rijd ik naar huis. En dan rijd ik naar een diagnose. Eindelijk.
Op 10 januari rondden we eindelijk een lang traject af waarin we hoopten antwoorden te vinden op het verdriet van onze Briek. Er werd een diagnose ASS weerhouden en er werd vastgesteld dat zijn depressieve gevoelens en vele angsten geworteld zijn in een trauma dat hij overhield aan het lange schisistraject waar hij - helaas - midden in zit. We voelen rondom ons een opluchting: waar we vroeger in het ijle paniekerig hulp aanboden op allerlei vlakken, zullen we hem nu veel gerichter kunnen helpen.
Voor ons als ouders is die opluchting er ook. Maar daarnaast moeten we een levenslange diagnose aanvaarden en voelen we opnieuw dat er (nog) geen mogelijkheid is om van die razende trein te stappen waar we 11 jaar geleden gedwongen werden om op te stappen. Zolang we samen met onze Briek het traject moeten doorlopen, zullen wij blijven doorgaan zoals we al 11 jaar doen.


Reacties