Het geluk
Het Geluk speelt zich altijd buiten af.
Het Geluk doet de tijd vertragen.
Ik sta in de keuken en kijk door het grote raam naar buiten, de tuin in. Kinderstemmetjes klinken gedempt, maar ik hoor de blijheid nog net mee echoën. De zon schijnt, ik weet het niet zeker, maar nu ik terugkijk, schijnt de zon altijd. Er gebeurt niet veel, er wordt een bal gegooid, tekens gekrast in het zwarte zand van de onaangelegde tuin, er wordt gesprongen en geklommen. En ergens in de tuin staat altijd papa, op deze uren. Ik zie hem nu als een stilleven, dieren verzorgen, een schup in de grond steken, een vijs verdraaien. Hij moet er zijn, in het geluk is hij er altijd. Alles gebeurt met een zekere traagheid, alsof dit kleine geluk, net wat langer mag duren dan het moment hiervoor en de tijd hierna. Ik ben dankbaar, blijf kijken met een kinderlijke verwondering. Ik sta binnen, het Geluk speelt zich altijd buiten af.
Het Geluk is iets waar je op toekijkt.
Ooit droeg ik een baby op mijn buik en was ik doodmoe. Ik herinner me weinig, maar ik sta weer voor een raam. Gelukkig zijn doe je voor een raam. De baby is onrustig, maar ik niet. Ik kijk naar de tuin waar alles zich weer afspeelt zoals het hoort te zijn. Ik ben er niet bij, dat is logisch, nodig zelfs. Ik zie ze lachen, mijn gezin, ik hoor niets. Het is de Eenzaamheid, denk ik, die hand in hand gaat met het Geluk. Het lijkt wel alsof ik eenzaam moet zijn om het geluk te kunnen zien. Ik voel me melancholisch, dichter bij het echte geluk kan ik niet komen, ik voel me gezegend. Eenzaamheid is iets dat je draagt, het Geluk is iets waar je op toekijkt.
Het Geluk is oranje.
Mijn vader is oranje. Mijn moeder ook. De hele kamer is oranje, het hele huis is oranje. Alles heeft de kleur van de vlam in de houtkachel gekregen, zelfs de vloer, de meubels, het plafond. Ik voel me warm worden, ook mijn buik wordt oranje. Wanneer ik flarden zie van mijn kindertijd, zijn ze altijd oranje. Geen fel oranje, maar een gloed, met een gouden randje. Ik heb niet geleden, ik wist niets van het "echte" leven, die harde versie, de realiteit zegt men wel eens. Ik groeide op in een wereld met Sinterklaas, chips op zaterdag, zonnige dagen in zanderige zandbakken en pasta met kreeftensaus. Regende het wel in de jaren '90? Het Geluk is oranje, mijn kindertijd is oranje.
Het Geluk zit bij de anderen.
In de verte zijn ze gelukkig, dat zie ik vanachter het raam. In mijn armen zijn ze gelukkig, dat voel ik aan hun ademhaling. Ik verplaats mezelf, naar een andere kamer, probeer mezelf buiten hun geluk te plaatsen. Gelukkig zijn, dat moet je zelf bereiken, geloof ik. Ja? Het lukt me niet. Waar ik ook ga, ik hoor altijd de kleine kindervoetjes achter me. Ik zit nooit alleen, niet in de zetel, niet in de keuken, niet op de wc, niet in gedachten. Verstoppen heeft geen zin als ze je altijd blijven vinden. Ik heb het fout, weet ik, het Geluk zit bij de anderen.
Ik vraag me af of mijn kinderen gelukkig zijn. Ja, zeggen ze, maar ik weet dat zij nog in de oranje wereld leven, weg van de realiteit. Ik weet dat zij nog niet in staat zijn om toe te kijken, om door het raam te staren naar hoe het zou moeten zijn. Ik weet dat kinderen niet écht uit het raam kijken en zien wat ze zouden moeten zien. Ik weet het. Achter dat raam overvalt de eenzaamheid me eens te meer. Het besef dat het gelukkig zijn voor mij bestaat uit toekijken, binnen, achter glas, maakt me rusteloos. Toch is er ook altijd dit: achter glas voelt de zon veel warmer. En ook dit: ik ben hier, binnen, altijd. En misschien is dit wel de voorwaarde voor hun geluk: het weten, het besef dat ik daar binnen altijd zal staan, voor als het nodig is, voor als de koude van de wereld hun hart tracht te verkillen.



Reacties