Kleurenblind
Ik ben kleurenblind.
Bang om het leven te zien in alle aspecten en kleuren zoals het bestaat, zoals ik zou kunnen leven. Ik hul me liever in de veiligheid van het zwart-wit denken, het zwart denken, het doemdenken. Iets wat op voorhand al is kapot gedacht, kan sowieso niet meer mislukken. Een initiële teleurstelling krijg je tenminste nog verwerkt. Heel anders is het als je na een hoopvolle start moet vaststellen dat het falen al van in het begin vervat zat in de uitkomst en jij jezelf dus wat hebt staan voorliegen. Dan val je face forward op de stoepstenen van de realiteit en verbrijzel je je gezicht op de staalharde schaamte.
Ik wil kleurenblind zijn.
Ik wil bestaan in de eenvoud van het zwart-wit tijdperk. Als het A niet is, is het B. En blijken we ons bij optie B toch vergist te hebben, is het sowieso gewoon A en hebben we het weer veel te ver gezocht. Hoe heerlijk leven waarin oorzaak en gevolg nog lijnrecht naast elkaar staan en binnenwegen niet bestaan. Ik wil opstaan in een witte wereld, waarin alles klaar en duidelijk is en waarin ik weet dát ik doe en wat ik doe. En laat er geen waarom bestaan. Uiteindelijk wil ik me hier te ruste leggen in een ravenzwarte nacht, waarin niets is en niets zal zijn. Behalve rust, leegte en sereniteit. Tot het wit onze opkomende zorgen weer zal verblinden.
Ik ben niet kleurenblind.
Dat voel ik wanneer ik door de stad fiets en mijn oog valt op een bloesemroze boom. Net op het moment dat de aarde nog twijfelt of het met deze realiteit wel de moeite is om uit een winterslaap te treden, net op dat moment staat daar die boom. Roze. En ik voel ergens diep in mij iets klein bewegen. Hoop?
Ik weet het wanneer ik naar mijn kuikens kijk die simpele verwezenlijkingen behalen alsof het stuk voor stuk hoogtepunten zijn, marathons, records. Mijn gemoed schiet vol ontroering, mijn rode hart klopt bijna buiten zijn kas van trots. Ik sta me er een stukje bij te tranen. En ergens rond hen zie ik iets verschuiven. Toekomst?
Maar ik haat het ook. Als het wereldnieuws onverbloemd de huiskamer binnenkomt en ik niet meer kan zien waar die toekomst gaat eindigen. In een gitzwarte put, of nog erger, in een grijze wereld met grijze verwachtingen en beigekleurige doelen.
Dus ben ik kleurenblind, sluit ik mijn ogen voor het verzachtende geel van de ochtendzon. Te veel goedheid, te veel dat wat had kunnen zijn. En ook bij het avondrood zal ik mijn blik steeds afwenden. Ik heb geen nood aan de geruststellende warme gloed van de ondergaande zon die ons doet beseffen dat het ons vandaag wéér gelukt is en dat er na het schemerduister opnieuw kleur zal zijn.
Ik ben kleurenblind. Om het grijze gekrabbel en gewetensgebabbel te blijven ervaren, om niet doelloos mee te deinen op de regenboogtonen van het nu. Maar om het dreigende duister in de toekomst te blijven waarnemen. Want willen we later een gouden randje, dan zullen we nu door het donker moeten. En daarom.
Ik ben kleurenblind.


Reacties