Kortverhaal: Toeval
Op het moment dat de eerste zonnestralen zijn oogleden raken, wordt hij wakker. Zo gaat het elke morgen. Veel te vroeg voor werk, veel te vroeg om de kilheid en de eenzaamheid van het ochtendgloren het hoofd te bieden. En toch gaat het altijd zo. Hij heeft een hekel aan de zwaarte van een nieuwe dag, maar haast routineus zorgt hij er elke avond voor dat de gordijnen zo zijn dichtgetrokken dat een kleine spleet net voldoende daglicht kan binnenlaten om hem te ergeren. Hij weet zelf amper waarom. Het doorbreken van een jarenlange routine is voor hem ondenkbaar. De ergernis en de eenzaamheid de enige menselijke emoties die hem nog resten.
Het klaarmaken en aankleden voor werk verloopt steeds
gestructureerd. Hij wast zich aan de wasbak met de koud water. Het nemen van
een douche vindt hij haast een zonde van de tijd, de luxe en het genot hem niet
waardig. Het koude water van het kleine kraantje en de strakke geur van het
bruine stuk zeep doen hem focussen op wat echt belangrijk is. De dag doorkomen.
Zodat hij na 15 uren de gordijnen weer kan dichttrekken, net ver genoeg om het
leven buiten niet helemaal uit te sluiten. De laatste strohalmen van de
realiteit.
Een homp brood met preparé, een stuk oude kaas
en een een tas koffie om de grote brokken door te kunnen slikken. Hij eet alsof
hij gehaast is, altijd. Al etend geeft hij de indruk angst te hebben om te kort
te komen, alsof er in de schaarste nog maar één boterham wacht en meerdere
hongerige gegadigden hun kans wagen. Hij eet alsof hij meteen weer moet
vertrekken, alsof er altijd iemand ergens op hem staat te wachten, alsof de
tijd zijn spijsvertering steeds weer inhaalt.
Net voor hij uiteindelijk de deur uitstapt,
neemt hij een laatste keer diep adem, vult zijn longen met de huiselijkheid en
veiligheid van zijn eigen appartement. Hij voelt de geborgenheid en het
vertrouwen van zijn huiskamer en wordt dan pijnlijk verblind door felheid van
de zon en de vijandigheid van het echte leven.
Steevast wandelt hij naar het werk, door weer of
wind. Hij schaamt zich toch ietwat voor zijn logge figuur, maar kan het niet
opbrengen om een gezond voedingspatroon na te streven. Zijn dagelijkse
wandeling van en naar het werk lijkt zijn geweten wat te sussen. Bovendien is
hij opgelucht dat hij elk jaar op het medische toezicht van het werk toch enige
vorm van lichaamsbeweging kan aanhalen.
Na tien minuten ziet hij haar. Ze zit er weer, zoals elke dag, op haar bankje.
Altijd net in de warme stralen van de zon. Net zoals alle andere dagen schrikt
hij op van haar aanwezigheid, hij deinst even terug, moet twee keer diep
ademhalen voor hij helemaal tot zichzelf komt. Hij weet niet precies wat het
is, maar hij raakt steeds meer geïntrigeerd door haar. Het is een jonge vrouw,
een meisje nog eigenlijk. Frêle en breekbaar, haar heupen nog maar net aan het
uitdijen, haar kleren nog geschikt om de eerste vrouwelijkheid te beschermen. Er
hangt een troosteloos klimaat van eenzaamheid rond haar, ze lijkt haast
onbereikbaar.
De laatste tijd blijft hij altijd even wachten,
enkele meters van haar vandaan. Hij moet daardoor het laatste stuk van zijn
tocht een pak sneller aanvatten, wil hij niet te laat op het werk komen. Het
levert hem een bezwete lijfgeur op voor de rest van zijn werkdag, maar het kan hem
nauwelijks iets schelen. Contact met collega’s probeert hij al jaren tot een
minimum te beperken. Sinds ze daar zit, lukt hem zelfs beter om zich ’s morgens
uit bed te hijsen. Hij is begonnen met een aantal buikspieroefeningen en
gisteren deed hij zelfs wat gel in de weinig haren op zijn kruin. Dat vond hij
na het verstrijken van uren zo ridicuul dat hij ’s avonds thuis de hele boel
wegscheerde. Bang om de volgende ochtend nog maar eens uit zijn rol te vallen,
om de controle te verliezen, om de drang te voelen om uit de voor hem zo
vertrouwde eenzaamheid te ontsnappen.
Het valt hem op dat andere voorbijgangers haar
schijnbaar niet opmerken. Iedereen wandelt haar stevig voorbij, de hoofden
meestal star gericht naar de grond, doelgericht op weg naar god weet waar ze
worden verwacht. Niemand kijkt op, niemand groet haar.
Waarom zou ze hier in hemelsnaam zitten, denkt hij. En waarom zit ze hier
altijd nét wanneer ik langs deze plek loop? Zou het? Zijn gedachten lijken een
loopje te nemen met de realiteit. Hij gelooft niet in toeval. Van kinds af
voelde hij een bepaald soort voorbestemdheid. Hij kon niet geloven dat hij hier
enkel was omwille van een toevallige en totaal willekeurige seksuele ontmoeting
van twee mensen. Zijn vader had hij nooit gekend omdat zijn moeder niet eens
wist wie hij was. Hij vond het vreselijk wanneer zijn moeder hem aansprak met
“mijn klein ongelukje.” Hij wilde zo graag een geluk zijn, een doel hebben. Nu
hij zelf volwassen is, is dat doelgerichte gevoel enigszins vervaagd. Hij heeft
immers nooit een écht doel gehad, maar nooit is hij beginnen geloven in toeval.
Alles gebeurt altijd met een reden. Dit meisje zit hier niet zomaar. Nee, ze
zit hier voor hem.
Het is hem opeens glashelder. Ze zit hier
godverdomme voor hem! Hij voelt een vreemde sensatie in zijn lijf, hij siddert
even. Er prikkelt iets aan zijn kruis. “Hou jezelf onder controle,” gromt hij
ingetogen. “Nu vooral de controle niet verliezen. Ja, ze zit hier voor mij.
Maar hoe pak ik zoiets aan?” Hij spreekt opvallend luid, een dame draait zich
vragend om naar hem, hij wuift verontschuldigend.
Hij probeert zijn adem te beheersen, die is ongemerkt snel en oppervlakkig
geworden, het maakt hem wat ijl in zijn hoofd. Hij merkt plots dat zijn hemd
tegen zijn rug geplakt zit, hij is helemaal bezweet. Dat verbaast hem
enigszins, maar maakt hem meteen ook onzeker. Kan hij zo wel op haar
toestappen? Hij krijgt het warm, zijn ademhaling lijkt nu echt op hol te slaan.
Er loopt iets warm over zijn kin. Hij kan niet thuisbrengen wat het is, maar
veegt het goedje bijna achteloos weg met zijn mouw. Hij voelt hoe zijn voeten
plots bewegen, rond hem wordt alles wazig. Enkel het meisje, de bank en zijn
voeten. Wat is ze mooi. Ze zit hier voor hem! Zijn lichaam is nu gloeiend, zijn
kruis brandt. Heel in de verte hoort hij een ijselijke gil. Een ongeval, vraagt
hij zich nog af. Daarna een harde knots, uit het niets, een aangename warmte
over zijn oren. Hij ziet nog net het meisje met opengescheurde bloes, voelt hoe
veel te veel armen en benen hem neergedrukt houden.
En dan wordt alles zwart.


Reacties