Briek
Mijn mond, hoor ik hem reageren en het is het antwoord dat ik had verwacht.
En als je alles moest veranderen, maar één ding zou hetzelfde mogen blijven, wat kies je dan? Zonder aarzelen zegt ie: mijn slimheid. "Mijn brein eigenlijk, want dit is mijn genieverstand." Ook dit is het antwoord dat ik had verwacht, maar het doet me meer dan wat hij zegt op de eerste vraag. Ik ben meer ontroerd en toch ook wat verrast.
Uiteraard beaam ik wat hij zegt. Dat hij een stel hersenen om u tegen te zeggen meekreeg, staat al lang buiten kijf. Het is bovendien ook mooi dat hij dat zelf goed beseft en dat hij dat ook zonder schroom durft uitspreken. Hij is er content mee, en wij zijn content met hem. Ik zie hem naast me zitten en ik voel me trots, warm. Koester dat brein van jou maar, kerel, net zoals dat gouden hart.
Maar tegelijk overvalt me een soort weemoed. Ik kijk naar hem en besef dat ik mijn eigen kind niet meer kan aflezen. Wat gaat er in dat eindeloze verstand van hem om, wat maakt dat hij op onbewaakte momenten de levenslust van een kind van 9 verliest? Hoe komt het dat we hem soms als 17-jarige zien? Wat denkt hij eigenlijk en vooral: heeft hij al wel genoeg woorden om dat alles te omvatten?
Ik voel meteen hoe kwetsbaar dat "genieverstand" hem maakt. Het is een open deur voor alles wat het leven in petto heeft. Hij staat in de wereld en zuigt het hele gebeuren zo naar binnen. Er is plaats, er is ruimte. Hij leest ongeschreven uitspraken, emoties en uitdrukkingen moeiteloos af. Hij hoort alles wat ik tussen mijn woorden niet durf uitspreken en voelt feilloos aan wanneer het niet gaat zoals we het graag gepland hadden. Of net wel. Er is plaats, er is ruimte.
Maar er is geen rugzak vol ervaringen waaruit hij noodrantsoen kan putten als het pad te steil wordt, de opgedane indrukken te overheersend. Er zit geen heb-ik-al-gedaanzalf, noch een reeds-geleerd-proteinereep in zijn rugzak voor 80 procent van wat hij opneemt. Het is onbeschermd het ijskoude water van het leven induiken en hopen dat je ergens tussen de ijsschotsen je hoofd nog terug boven krijgt. Briek is vaak moe. Van het watertrappelen, het slalommen tussen wat voor hem van belang is en wat hij links mag laten liggen, tussen wat hij wil en wat hij denkt dat wij willen.
Een hoofd als dat van hem slaapt nooit.
Ik zie hoe kwetsbaar hij is en ik weet hoe ruw de wereld rondom hem is. Ik moet een standvastige moeder zijn, denk ik, een veilige haven waar hij kan aanmeren als het nodig is. Het licht in de vuurtoren bij wie hij steeds kan thuiskomen. Maar ik ben geen één van dat al, weet ik, terwijl ik spartelend als een puppy mijn hoofd boven water probeer te houden. Hoe wijs je de weg als je zelf naast het pad loopt? Ik ben een overvol vat vol emoties. Aan elk kruispunt twijfel ik vier keer of ik de juiste weg ben ingeslagen, ik staar vertwijfeld in ongenoegen naar mijn eigen spiegelbeeld en slaag er niet in een positief zelf-, wereld-, of toekomstbeeld uit te dragen.
Hij lijkt wel wat op mij, als volwassen persoon, hoor ik me tegen Jorge zeggen. Ik herken mezelf als kind niet in het kind dat Briek nu is. Ik had het hem nochtans graag toegewenst: onbezorgd en in het nu.
Maar Briek zijn hoofd zit al bij later. Bij bankkaarten en hoe ze vol krijgen, alleen wonen, zorg voor de aarde en er zelf een plaats op vinden. Waarom lijkt ie nu al 20?
's Avonds steek ik hem in bed, en zie hem liggen tussen veel te veel pluchen beren. Als het donker wordt is het brein van Briek plots weer 9. Nog máár 9. Er moet een lampje branden, een kusje gegeven worden, een knuffel en een verhaaltje. De zorgen verkleinen tot woorden als "heimwee" en "dokters". Zijn wereld verkleint tot zijn slaapkamer, zijn mama en papa en enkel de nacht die voor hem ligt.
Laat het nog wat langer avond zijn, hoop ik, en laat de wereld van morgen nog even aan de deur wachten. Aan de deur van zijn kamer, aan de drempel van zijn brein.



Reacties