Pottekes platte kaas en kreeftensaus


Ik heb altijd gevonden dat ik een enorm slecht geheugen heb. Wanneer mijn jeugdvrienden vlot kampherinneringen ophalen door jaartallen en kampplaatsen op te noemen, tast ik telkens weer in het duister. Zulke gesprekken zijn bij mij een uitputtingsslag tussen de beide helften van mijn brein waarbij het pleit  steeds voor geen van beide partijen beslecht wordt. Ik kan gewoon niet deelnemen aan het gesprek. 

Ook de herinneringen aan mijn meer alledaagse jeugd zijn vaag. Ik herinner me meer een gevoel. Ik wil het nu als "veiligheid" bestempelen. Als ik probeer terug te denken aan vroeger, word ik omringd door een lichte sfeer van onbevangenheid, van kind zijn, van veilig zijn. Af en toe heb ik enkele kernherinneringen die ik tot in het detail terug kan oproepen. Zoals toen mijn vader een paddeklutske doodtrapte. Het arme diertje zat vastgedrukt tussen de voegen van de stoeptegels, achterlijf duidelijk verbrijzeld, maar nog steeds wijdgebekt om hulp roepend. De ironie wil dat het lag te zieltogen in Scherpenheuvel. Op de plaats waar we allemaal naïef en onbezonnen kaarsjes zaten aan te steken tegen woekerprijzen om zo een betere of gewoon meer toekomst af te kopen, kwam het kleintje wreed aan zijn eind. Ik moet een jaar of 6 geweest zijn. "Waarschijnlijk platgereden door de wielen van een fiets. Of een rolstoel", zei mijn vader en hij verloste het beest uit zijn lijden met één welgemikte heldendaad. Of die keer dat ik we naar de film De laatste der Mohikanen keken. Ergens in die film zit een scène waarbij een kerel op de brandstapel wordt gezet en het uitschreeuwt met uithalen die door mijn merg en beenderen ging. "En dat doet pijn, hoor." Weer mijn vader. "Het vuur verbrandt eerst je tenen en dan je benen en het duurt lang voor je dood bent." Ik heb er jarenlang zware nachtmerries over gehad en ook nu nog kan ik 's avonds - wanneer ik mijn hoofd op mijn zachte kussen vlei - plots klaarwakker zijn omdat ik die man weer hoor schreeuwen. 
Ik herinner me paella, die we met ons vieren niet lustten en de teleurstelling van mijn vader of was het de knoop in míjn maag omdat we hem mogelijks verdriet deden? Ik herinner me warme avonden bij een oranjegloeiende kachel, zakjes chips en klassieke muziek. Ik herinner me het huis zoals het moest geweest zijn, moeke altijd thuis, als de warme zekerheid die een kind nodig heeft wanneer het op eender welk tijdstip terug komt. Ik herinner me het verdelen van potjes plattekaas in 4 kommetjes. Altijd door vake. Ik weet het nu: volwassen worden is begrijpen dat de plattekaas altijd door vader wordt verdeeld. 

En ja, ik weet het. Het was niet al goud wat blinkt en ook ons huis had zijn kruis(je)(s). Ik wéét dat, ik herinner het me niet. Ik weet wat ze zeggen, mijn ouders en mijn zussen, ik weet het van verhalen en soms weet ik het toch van een flard, een halve zin, een gekreukte foto die plots achter mijn oogleden oplicht. Maar ik herinner me het niet. 
Wat ik mij herinner is veiligheid. Kind zijn. Ik ben kind geweest, zolang het mocht, zolang het kon. Ik was gewoon een onbezorgd, vrij kind. 

En dit is wie ik wil zijn als mama, bedenk ik me. Voelen mijn kinderen deze veiligheid ook bij mij? Ben ik wel altijd daar wanneer zij op eender welk moment en in eender welke tijd terug thuis komen? Is de kleur van deze tijd voor hen later ook warm oranje? Of voelen zij - veel meer dan ik vroeger - dat mama een mens is? Ik heb mijn ouders zelden zien wenen, nooit misschien, of ik herinner me het niet. Naar mijn gevoel sta ik dagelijks boven de wasbak te grienen en voel ik het kleine handje van mijn oudste zoon - ach, toch ook nog maar een kind - geruststellend over mijn rug gaan. Is deze kindertijd er eentje van chips, zandbakken, buitendouches, vriendjesalbums en songfestivals zingen in bed? Is deze kindertijd voor hen er eentje van eindeloze dagen aan de zee, weinig plaats in grote auto's en overal rijtjes boeken of cd's? Ik vraag me af aan welk gerecht van mij ze later nog zullen denken, zoals ik nu nog steeds de tagliatelle met kreeftensaus het leven doorzeul, maar nooit meer zal eten. Omdat ik ook wel volwassen ben geworden. Ook dit weet ik nu: volwassen worden is de kreeftensaus durven laten staan. 

Maar dit heb ik evengoed geleerd nu: dat mijn ouders - voor mij dan - geslaagd zijn in de opzet van het ouderschap. Nu ik zelf kinderen heb, bel ik nog steeds naar hen bij pijntjes, kwaaltjes, foutjes en mankementjes. Als Jorge niet thuis is, komt mijn vader de elektriciteit wel weer aan zetten als het nodig is. Telefonisch krijg ik duidelijk en gerichte informatie wat ik best kan doen met al dat eten in die uitgevallen diepvriezer en de eindbeslissing of ik mijn eigen kinderen naar de dokter moet nemen, laat ik soms nog in hun veilige handen liggen. Ik zou volwassen zijn, eigenlijk, en ik geloof dat ik het ben, maar, zij zijn nog steeds mijn veiligheid. Het gevreesde loslaten dat ik als mama meer en meer moet doen, is eigenlijk gewoon tweezijdig. Ook ik moet leren om losgelaten te worden.
En dit is dan hoe ik mijn kinderen wil groot brengen, weet ik: met een zachte tik onder hun achterste het leven in schoppen, maar tegelijkertijd altijd een plek blijven om thuis te komen. En hierbij hebben we maar één doel: laten we het leven vooral oranje kleuren.
 

Reacties

Populaire posts