Ziekenhuisdagen
Door de autoboxen horen we iemand die zingt dat we genoeg zijn zoals we zijn en dat het een belofte is. Ik kijk naar het stille kind naast me. Een uurtje geleden, in een kille dokterskamer, heeft hij zich teruggetrokken achter hoge muren en ik kan de eerste kieren nog niet meteen terugvinden. Ik zeg hem dat het lied me aan hem doet denken omdat hij zichzelf nooit goed genoeg vindt en ik hem graag wil zeggen hoe hij dat zo hard wel is. Klopt, zegt hij, ik vind dat. Hij stelt vast dat sommige boodschappen mooier zijn in een andere taal en ik wens vurig dat ik ooit de juiste taal vindt om hem duidelijk te maken hoe genoeg hij is voor deze wereld. Wanneer zal jij dat verdriet dat je altijd meedraagt, kunnen loslaten? Ik vraag het, maar hoor meteen dat het geen vraag is die je aan een 9-jarige stelt. Maar sneller dan ik verwacht, antwoordt hij dat hij het echt niet weet. Het is geen antwoord van een 9-jarige. Ik vraag me af op welk moment in de voorbije 9 jaar hij volwassen is geworden en zeg hem dat ik het verdriet in mijn hart voel. Verdriet zit altijd in mijn ogen, zegt hij. Ik bedenk me dat iedereen dat kan zien, het verdriet, altijd in zijn ogen. Misschien zijn ze daarom wel grijs en niet helblauw of donkerbruin zoals de mijne. Ik leg mijn hand op zijn arm om me ervan te vergewissen dat ik niet ben blijven steken in de tijd en toch een 19-jarige naast me heb zitten in plaats van mijn kind. Zijn arm is zacht en kinds, maar de muren zijn opgetrokken dus trek ik mijn hand terug. Ik zie hem iets wegslikken, ik weet dat het tranen zijn. Het zal nog enkele uren en veel kinderspelen duren voor ik de zwaarte uit zijn lijf zie wegsijpelen.
Hoe komt hij aan die angsten, had de chirurg ons totaal verbaasd geantwoord. Zijn vraag voelde bevreemdend, alsof ik niet kon bevatten dat een man van die intelligentie zulke ondermaatse empathie aan de dag kon leggen. Ik wil een lijstje opsommen van alle nare ziekenhuiservaringen die we de voorbije jaren hadden, maar de angst verhindert me te spreken. Ik zie flitsen van een lijdend kind en een beschroomde moeder. Schroom heeft me altijd weerhouden van een goeie mama-advocaat voor m'n kind te zijn. Ik bedenk dat hij misschien op die momenten wel volwassen werd. Omdat ik er niet in slaagde dat voor hem te zijn.
Ik spreek uit dat hij verdriet mag hebben en dat het na al die jaren ook voor mij begint te wegen. Ik zwijg over de slapeloosheid of de angstaanvallen die ik moet wegdrukken bij het inrijden van de ondergrondse parking. Het heeft 9 jaar geduurd voor iemand ginder in het grote troosteloze gebouw zijn angst heeft erkend. Misschien moet ik dat ook eens doen, denk ik, na 9 jaar zeggen hoe hard het traject kan zijn. Maar de schaamte voor mijn zwakheid speelt meteen op.
Thuis wassen we de ziekenhuisgeuren van ons lijf en stappen weer het leven in. We wandelen weer gezwind door. Ik kijk naar mijn zoon en zijn grijze ogen en ik zie het verdriet nog steeds. Ik vraag me alleen nog af of hij het al in zich droeg in mijn moederschoot of is het zijn lijfje in geschopt door de realiteit nadien? Ik hoor hem gibberen met een tekenfilmpje en heradem. Hij is er nog, mijn 9-jarige, hij is er nog.



Reacties