Mijn oudste zoon loopt wel eens verloren in dit leven. Met stevige tred het pad af om dan al zoekende niet meer te weten waar hij is, waar hij zou moeten uitkomen en waarom hij überhaupt ooit vertrokken is. We leiden en gidsen en vragen en seinen, maar op het einde moet hij toch zelf de finish halen of het verharde pad richting dat waarvan we denken dat dit het goede is betreden. Zo spraken we onlangs af dat hij een pauze neemt van de scoutsactiviteiten om zelf te ontdekken of hij daar nu wel of niet gelukkig kan worden. Die pauze werd met spijt onthaald en ik las woorden als 'enthousiast' en 'vredelievend'. Dat hij ondanks de vele twijfels toch zichzelf wist te blijven, dat siert hem. Briek is een duidelijk kind. Je kan hem lezen of je kan het helemaal niet, er is geen tussenweg. Wat hij zelf kan benoemen met feiten, begrippen en concepten en cijfers, kan hij uitspreken. Al het andere is 'ik weet het niet'. Toen ik hem ooit zei dat verdriet soms vastzit in mijn hart, antwoordde hij me dat verdriet altijd in zijn ogen zit. Daar zijn de tranen. Het is het antwoord van een wetenschapper. Duidelijk. Hij is het die me overlaadt met weetjes en die op Google 'grootste bedrijf ter wereld' intikt. Hij is het die 's nachts geplaagd wordt door het leven, door zijn leven. En hoewel hij de taal van de feiten en de cijfers spreekt, weet ik dat wij elkaar nooit helemaal zullen begrijpen. 

Ik neem zijn broer mee in de auto en we luisteren samen naar muziek. Hij mag zelf aangeven welke nummers hij wil luisteren en welke ik moet wegklikken. Bij de eerste tonen van een lied over beloftes en eenzaamheid zeg ik hem dat ik het lied niet zal wegzappen. Op zijn waaromvraag antwoord ik dat het me een warm hart geeft. Hij luistert even, blijft stil en zegt dan plots: "Ik voel mijn hart ook gloeien." Zij woorden doen me denken aan die keer dat hij danig onder de indruk was van een meisje en aan tafel plots mompelde dat "zijn hart altijd naar haar keek." Het zijn de woorden van een poëet. Hij is de broer die tranen moet wegvegen en kroppen moet wegslikken wanneer hij een liedje luistert over de geboorteafwijking van zijn broer. Hij is het die midden in de eerste lockdown van blijdschap zijn natte ogen schoonveegde toen hij zijn vrienden op een klein schermpje hun hele speelgoeduitzet zag tonen. Hij is het die 's nachts geplaagd wordt door geesten, aliens en monsters; maar van wie het echte leven in de donkere uren van de nacht gewoon blijft rusten. We lopen elkaar vaak mis, Tjeu en ik, en het lijkt alsof we elkaar niet verstaan. Maar ik voel dat wij elkaar wel begrijpen, in de taal van ons hart, in de poëzie. 

Ze zijn de beste vrienden, de wetenschapper en de poëet. Het blijkt de ideale combinatie te zijn om een onverwoestbare band op te bouwen. Elkaar aanvullen op vaardigheden waar het bij de ander aan ontbreekt. De ene helpt de andere om de voetjes op de aardkorst te houden, om de dagen en gebeurtenissen te kunnen kaderen binnen een geheel van oorzaak en gevolg. De ander helpt de ene om de voorgeplaveide weg te durven verlaten en zich te laten leiden door fantasie in een wereld die veel minder hard en genadeloos is dan diegene waarin hij de grijze realiteit niet kan negeren. 

Ergens tussen deze twee totaal verschillende, maar onlosmakende zielen laveer ik als moeder. Ik ben geen wetenschapper noch een poëet, ik val niet of nauwelijks terug op wat berekenbaar is. Wiskunde was nooit mijn beste kant, en ik kan de meerderheid van de geschreven poëzie niet zinvol lezen. Ik geloof niet in de fantasiewezens uit de jongste zijn wereld, noch in een god of in een of andere energie die ons zal leiden naar wat op voorhand al vastligt. Ik geloof niet nee. Misschien enkel in (het) Lot. Ik geloof niet, maar kan de wereld amper bevatten. De vis die niet kan zwemmen, het noorderlicht, emoties, het samenkrimpen van je buik als je luistert naar bepaalde muziek, vlinders in je buik of in de lucht, ziektes die we kunnen genezen met een pil of een spuit, de liefde. 
Misschien moet dat ook helemaal niet, denk ik, als ik me tussen mijn twee jongens in de zetel plof. Ik luister naar het lijstje met grootste bedrijven ter wereld en hoor hoe hij zich afvraagt hoe groot de grootste croissant is. Zoek maar op, zeg ik hem, terwijl ik mijn jongste vraag of de alien Ed (E.T voor de vrienden) hem 's nachts nog eens op zijn zitvlak is komen kletsen. Misschien moet ik er helemaal niks van begrijpen.
Een moeder moet eigenlijk niet meer dan echt kunnen luisteren. 

Reacties

Tinne zei…
❤️❤️❤️

Zo mooi weer..
En over zo’n mooie mensen..

Niets dan liefde! ❤️😘

Populaire posts