Ik sta aan de rand van een uitgestrekt korenveld, maar soms is het lavendel. Dat komt en gaat met tijd en kleuren. De weidsheid is enorm, maar ik voel me thuis. Ik ken het hier, ik heb hier ooit elke dag gestaan. En hoewel ik nu meer met mijn voeten in het water sta, kom ik graag terug. Ik voel me veilig, geliefd. Vroeger stonden we beide aan deze kant van het veld. Jij vond je thuis aan de overkant. Maar we kijken nog steeds samen uit over hetzelfde veld. Dat telt.
Er weegt iets op mijn schouders. Het veld is zonovergoten, maar in de verte rommelt er iets. Vandaag kan ik niet zien of het donkere wolken zijn, of een luchtspiegeling. Ik weet ook niet of het gerommel een natuurlijke oorzaak heeft of eerder iets menselijk. Het voelt als een schaduw ginder. En hoewel alles rond me geel en lente-achtig is, ben ik op mijn hoede. We weten het nu wel, hoe snel het onweer kan opsteken. Ik twijfel of ik me zal omdraaien. Weg van wat me zo vertrouwd is, terug naar het water waarin ik heb leren floreren. Weg van de dreigende schaduw en de kopzorgen.
Ik wil me niet omdraaien, ik wil het korenveld inlopen en de lavendelgeuren opsnuiven terwijl de halmen tegen mijn blote benen zwiepen. Ik wil rennen en gieren, en me thuis blijven voelen. Ik wil de schaduwen in de verte niet zien. Ik wil ze -zoals een kind- niet kĂșnnen zien. Desnoods kletsnat moeten afdruipen.
De tijd is gepasseerd. Ik zie de wolken, ik hoor het gerommel -vandaag gelukkig nog ver weg. Ik draai me toch om, zoek nieuwe zuurstof in het water van mijn thuis. Mijn voeten zakken dieper weg in het vruchtbare slib dan gisteren, nog wat dieper. Kniehoog vandaag. Het gewicht op mijn schouders weegt wat meer. Misschien ga ik even niet meer naar het korenveld, denk ik. Tot er terug lavendel is. En ik leg mijn zware schouders te rusten. Wanneer de zon opkomt, sta ik weer aan het veld. Ik tuur en schat de afstand tot het donker. Ik zwaai, en misschien zie je het niet en misschien zwaai je niet. Maar ik, ik blijf zwaaien.


Reacties