Lente
De zon schijnt en verjaagt eindelijk het stoffige duister in mijn hoofd. Ik weet dat het stom is, want na 3 seizoenen gaan de gordijnen weer dicht tegen de kilte van de realiteit en zal er weer moeten geleefd en gedacht worden in bedompte, reeds uitgefilterde oude lucht. Maar nu is er licht en zet ik ramen open. Ik verfris de kamerlucht en voel hoe het winterstof wordt weggeblazen uit mijn bovenkamer, bij elke ademteug die ik gulzig neem. Er is plaats. Er is weer plaats voor hoop, voor een toekomst. Mijn kinderen spelen uitgelaten in de nieuwe tuin- nu er ruimte is tussen bloesems en nu er kan geschuild worden in schaduw en bij wie we kennen. De kreten van plezier en van kleine disputen zalven mijn onrustige ziel. We zijn nog hier en we kunnen het nog, genieten. Mijn kinderen zijn vuil. Vuile monden, zanderige haren, zwarte vingernagels, gescheurde broeken. We trekken het ons niet aan, het kan. Het mag. Ik kijk naar mijn smerige dochter en zie een wildevrouw. Vrij, ongetemd. Niemand wil naar binnen, we eten voor het eerst aan de tuintafel, en ook wanneer het vele spelen zich vastzet op de kringen onder de kinderoogjes en spieren die de hele winter hebben gerust, gaan kraken, wil er niemand toegeven. Niemand wil naar binnen. Ik voel in mijn buik de goesting borrelen. Dat moet een pandemie geleden zijn. Misschien wil ik wel een avondje stappen en ik onderneem onbezonnen acties. We leven, de jonggeboren tuin kondigt grootse zomerdagen aan. De avond valt vroeger dan we willen, we spoelen met tegenzin de sporen van de eerste lentedagen weg. De vermoeidheid slaat plots in als een bom, de tuindeur gaat dicht en ik zie het duister. Ik heb geen plannen gemaakt. Gelukkig, denk ik, maar mijn buik spreekt anders. Ik heb een hele winter 'nee' gezegd, omdat de dagen tot niets anders dienden dan overdenken. Nu de lente met een map vol plannen aanklopt, zie ik geen scenario met mijn naam. Het lukt me niet om ja te zeggen, om mij in te beelden waar ik gewenst zou zijn. Waar anders te leven dan in de beslotenheid van dit winterhuis, in dit wintergezin, omarmd door onze winterliefde? Het wordt een lange winter maar voor jou blijf ik hier staan. Dat geldt niet voor de nee-zeggers, voor de beren die de wintertijd niet kunnen overbruggen buiten hun comfortzone. Er blijft niemand wachten op zij die de deur blokkeren. Ik pak een glas wijn, duik in een boek en denk aan mijn kroost die dromerig ligt te soezen in bedden die nog lekker warm kunnen zijn, maar weldra storend zacht en heet worden. Morgen schijnt de zon, vanaf morgen zeg ik misschien wel weer 'ja'.



Reacties