Schouderklop

De zon schijnt langer dan een maand geleden en ik sta voor het raam. Of beter, ik sta terug voor het raam. Ik zie de pluizige lucht die onze kwetsbare winterlijven in zacht dons lijkt te willen omhullen. Saharazand uit verre oorden kondigt met zijn oranje gloed een warme zomer aan, buiten zijn weer kinderstemmen. Ik sta voor het raam en ik kijk naar de wervelende lijfjes van mijn kinderen. Achter mij is de duisternis die ik moeizaam van mijn schouders schud na een lange, donkere winter; voor mij is het grote licht.  En dan zie ik hem weer staan, in de tuin tussen de lauwwarme stralen van het laatste zonlicht van de dag. Elk jaar schrijf ik hetzelfde, elk jaar is de terugkomst noemenswaardig. Het geluk staat voor de deur. 

Ik kijk niet op van zijn komst, ik doe de deur niet voor hem open. Ik leerde uit de jaren dat ik nog baby's op mijn buik, mijn heupen en in mijn armen droeg dat het geluk nooit binnen komt. Anderzijds stap ik ook niet buiten, ik ken mijn plaats. Hier hoor ik te zijn, met mijn rug naar het duister en mijn ogen op de toekomst. Het moet het mooiste moment zijn van mijn leven, denk ik, tussen etenstijd en bedtijd wanneer het geluk zich weer gesetteld heeft in onze tuin. Verscholen onder de trampoline, in het platgetrapte stukje gras of onder de grote kastanjeboom. Het is een tijd van nog snel en mogen we nog, het is een tijd van nog een half uurtje of laat ze nog wat langer. Ik zeg op alles ja en dat is op zichzelf al een mirakel. Zolang ik maar kan kijken en luisteren naar de fijne stem van het geluk. 

Ik sta binnen, voor het grote raam. Achter glas wordt alles warmer en ik voel mijn hart langzaam ontdooien. Zilte tranen druppelen langzaam mijn buik in, waar de knoop zich in het water weet op te lossen. Waarom vallen tranen niet omhoog, denk ik, om in mijn hoofd het winterstof te verdrijven. Mijn dochter plukt geduldig alle gele bloemen uit de tuin en brengt ze als een stralende zon het huis in. Ik pak ze aan, maar voel de tristesse in het gebaar zwaar aan. Ze weet het nu nog niet, maar wie het geluk plukt, komt uiteindelijk bedrogen uit. 

De wereld rond me is licht en luchtig, en zwierig als lichte zomerjurkjes. De last op mijn schouders weegt zwaarder dan ooit. Ik voel me als een onhandige reus die met dreunende stap behoedzaam een weg probeert te zoeken tussen al wat kwetsbaar is en daarbij onhandig een hele toekomst wegmaait. Ik huil waar iedereen bij staat. Een hele winter lang heb ik al mijn gedachten ingekapseld onder mijn schedelpan in een duffe winterslaap en nu de lentewind blaast, is het tijd om los te laten. Vandaag lijkt me dat niet meteen te lukken. Ik blijf nog even staan voor de deur en mijmer de tuin in. Mijn dochter loopt voorbij, vuil en ongekamd, als een wildevrouw. Het geluk springt op haar rug en laat zich behoedzaam onder haar shirt glijden. Later wanneer ik mijn dochter omhels, vlak voor het slapengaan, voel ik haar kleine armpjes rond mijn nek, maar daarnaast ook een lichte schouderklop en weet ik me toch lichtjes aangeraakt door het geluk. Vandaag is dat dan goed genoeg. 

Reacties

Populaire posts