Op mijn schouders
Het is 1 september en terwijl de hele wereld na een maandenlange luiwarme zomerslaap weer aan het leven gaat, besluit ik een dag vrij te nemen. Er waait een rusteloze bries door het huis, bol van verwachtigen. En angst, dat ook wel. We ontwaken samen, zorgen er als een eenheid voor dat iedereen op zijn tempo en met zijn eigen vragen en onzekerheden kan starten. We nemen samen alle hordes en binnen de veiligheid van ons gezin sturen we de kinderen door de poort. Tijd om terug dat andere leven te leiden, waarin wij slecht langs de zijlijn staan te turen.
Wanneer we met ons tweeën terug in de auto stappen valt de hemel op mijn hoofd. Of nee, het overspoelt me meer. Ik lijk verzwolgen te worden door golven verdriet en een onmetelijke vermoeidheid. Het is van die aard dat ik niet meer kan geloven dat ik hier ooit nog naar het wateropvlak kan zwemmen. Alles is donker. Ik ben alleen, het kan nu wel, ik ben - misschien wel eindelijk- alleen.
Ik ben een mama, mijn man is een papa. Maar eigenlijk zijn we zoveel meer dan dat, zoveel meer dan wat we kunnen zijn. We zijn een zorgmama en een zorgpapa. We zijn ouders van een kwetsbaar kind voor wie het van levensbelang lijkt te zijn dat alles goed gaat met ons. Dat we er staan, dat we zeker zijn, dat we niet twijfelen, dat we energiek zijn en gelukkig en liefdevol en gezond. We moeten kaarsrecht, verankerd in het leven staan als 2 houten scheepsmasten, onbuigzaam in de storm.
Ik zit aan de tafel en voel voor de zevenenveertigste keer zijn handen op mijn rug en in mijn nek. Alles goed? Het is geen onschuldige vraag, ik hoor het. In zijn vraag schuilt onzekerheid, ik hoor zijn angsten en ik hoor vooral zijn hunkering naar een anker, een bunker, een fort of een kompas. Alles goed, zeg ik, en ik moffel de twijfel weg. Het is voor hem van levensbelang dat ik er nu sta.
Het is niet moeilijk te begrijpen. Wanneer je je weg moet zoeken in een wereld vol met raadsels, hou je je wanhopig vast aan elk hulpmiddel dat je wordt aangereikt. Ik zou het ook doen. Ik weet dat hij verloren loopt, in onze wereld en in zijn eigen hoofd, ik weet het. Nergens schijnt voor hem de zon. We staan samen aan de vloedlijn te staren naar de onmetelijke waterplas voor ons, voeten in het steeds terugkerende water, en ik probeer tot rust te komen. De voorspelbaarheid van de zee voor ons en het geruststellende ruisen van het water waarin de belofte schuilt dat ze na het wegtrekken zeker weer zal terugkeren werkt rustgevend. Maar in de jongen naast mij voel ik niets dan rusteloosheid. Het lijkt wel alsof hij die voorspelbaarheid van de zee niet kan begrijpen en in zijn eenvoud wantrouwt. De storm in zijn hoofd en lijf gaat niet liggen. Het is nochtans windstil. 's Avonds wanneer onze lijven loom zijn van het schurende zand en het zoute water zal zijn stijve gespannen lichaam breken. We proberen zijn anker te zijn, twee gele boeien die hem in het hier en nu trachten te houden. Uiteindelijk vindt niemand van ons de rust in de herhaling van de branding.
Nu hij op school zit en ik geen rol moet opnemen op mijn werkplaats, ben ik noch een mast, noch een anker. Ik ben dat zanderige fort dat mijn jongste zoon langs de vloedlijn bouwde bij eb. Nu het vloed is, voel ik hoe mijn muren inzakken en het water ongenadig binnen loopt. Ik ben zo moe. Hier kan ik nooit meer van herstellen.
Het is 2 september en het is weer eb. Mijn zoon herstelt nog van die eerste dag in dat andere leven en ik geef wat hij nodig heeft. Eten, kleren, warmte en liefde. Maar ook richting, vertaling van al die onduidelijke taal, handleidingen, structuur, duidelijkheid en standvastigheid. Mijn nek zit rotsvast, het laatste restje van de vermoeidheid die me gisteren overviel, maar dat is nodig. Mijn zoon van elf zit op mijn schouders en voorlopig moet ik hem dragen.


Reacties