Dromen


Ik sta tegenover een collega in een te vol lokaal en we moeten teambuildingsgewijs antwoorden op triviale vragen. De sfeer is licht en ontspannen, kwebbelende drukte van meer dan genoeg vrouwen in een kleine ruimte. Iemand vraagt of we nog een droom hebben en of wie hier enkele minuten gedachten over kunnen uitwisselen. Het is dat soort vraag die me verlamt. Ik probeer verwoed te graven in alle uithoeken van mijn brein, trek schuifjes open, doe laatjes weer dicht, maar ik kan geen droom bedenken. Misschien komt het doordat het uitspreken ervan, zal jeuken aan oude littekens, of kleine wondjes weer zal doen bloeden. Want heb ik dan een droom en kan ik hem gewoon niet waarmaken? Zal ik op het einde van mijn leven clichématig, zoals in kleine romannetjes vaak genoeg voorspeld, met weemoed en deernis spijt hebben van al die dromen die ik niet ben nagegaan?

Ik spreek dus als een mop een zinnetje uit dat past als een zelfgegoten masker, mijn meest aangemeten camouflage. ‘Ik wil een kartonnen kist.’ We lachen wat, het is wel leutig. Met een schijnbaar sarcastische kwinkslag: Ik heb geen droom, volhouden tot het einde en dan vooral niet te veel geld kosten en snel verdwijnen.
Want kan dat eigenlijk nog wel, dromen in deze brandende wereld? Wie kan er nog dromen van een fortuin in een wereld waarin fragiele babylijfjes eenzaam liggen weg te rotten in verlaten ziekenhuisbedjes? Wie kan er nog dromen van persoonlijk geluk in een wereld waarin we langs zijlijnen staan toe te kijken hoe hele steden worden platgewalst en hoe de mensen onder het puin anoniem worden vergeten? Wie kan nog dromen van me-time, zelfaanvaarding of je eigen persoonlijke ik in deze wereld waarin er terug oude demonen worden aanbeden, waarin we zelden onszelf kunnen zijn, waarin het voor velen niet meer dan overleven is?

Thuis sla ik een boek open. Het is er zo een die me doet verstommen, waar ik stil van word. Het is zo'n boek dat ik ’s nachts met me meeneem, terwijl het op de zetel wacht tot ik verder zal lezen. Ik ben verbaasd dat iemand dit kan schrijven, ik ben verbaasd dat hoofden dit kunnen denken en nog meer ben ik verbaasd over de hoofd-handcoördinatie van de schrijfster. De grootste uitdaging van het leven is het omzetten van die overvloed aan taal in je brein tot lees- of hoorbare woorden. Ik ben beklijfd. 

Misschien heb ik wel een droom, bedenk ik me. Onhaalbaar waarschijnlijk, zoals dromen moeten zijn. Misschien is dit dan wel mijn droom, misschien ligt die hier tussen de bladzijdes van ongeschreven boeken. Ik zou wel één keer willen schrijven. Ik zou wel één keer die woorden willen schrijven die mensen meenemen naar hun bed, die blijven kleven en niet meer loslaten. Ik zou wel één keer die zinnen willen schrijven die ontroeren, de keel dichtnijpen, die troosten, die omarmen. Ik zou wel één keer die woorden willen schrijven die doen verstommen, die de wereld rondgaan en die worden gelauwerd en geloofd. Ik zou wel dat willen schrijven waarvoor mensen terugkomen en terugkomen en blijven terugkomen. Ik zou wel één keer willen schrijven dat wat zuurstof geeft, dat ons de adem ontneemt, dat doet herleven. Ik wil schrijven en schrijven en schrijven. Maar ik wil meer dan schrijven. Ik zou wel één keer net dat willen schrijven dat het branden doet stoppen, het twijfelen doet vergeten en het durven dromen doet weerkeren. 

Ik zou zo graag net dàt willen schrijven. 

Reacties

Populaire posts